Om een beetje bewust te worden van hoe licht werkt, gebruiken we een vergelijking. We gaan uit van de zon, onze belangrijkste lichtbron.
Het zonlicht komt op een onbewolkte dag vanuit één punt, de zon zelf. Een onderwerp wordt dus vanuit één kant beschenen. Dat geeft scherpe schaduwen: de overgangen tussen waar de zon wel komt en waar de zon niet komt (de schaduwen), zijn abrupt. De zon geeft gericht licht.
De zon geeft heel veel licht, maar is maar een klein puntje aan de hemel.
Hoe kleiner de lichtbron, des te scherper worden de overgangen tussen licht en schaduw.
Hier is de ene kant van het onderwerp sterk verlicht, de andere kant ligt in diepe schaduw.
Op een bewolkte dag zien we nauwelijks schaduwen. Het wolkendek vormt één groot scherm, dat het licht verstrooit. Een onderwerp ontvangt zijn licht niet vanuit één punt, maar van heel veel kanten tegelijk. Daardoor zie je heel weinig schaduw. Het wolkendek geeft diffuus licht, ook wel verstrooid licht genoemd.
Bij bewolkt weer verstrooit het wolkendek het licht in alle richtingen. Het onderwerp wordt dan niet meer van uit één punt, maar vanuit alle richtingen beschenen. Daardoor zijn er bijna geen schaduwen meer.
Schaduw is nodig om vormen en structuren van een onderwerp te laten zien. Anders ziet het er vlak en flauwtjes uit.
Daarom werk je vaak met minimaal 2 lichtbronnen:
a. Het hoofdlicht. Het is de zon van de studio.
b. Het invullicht. Deze lichtbron maakt de schaduwen lichter of heft ze op.
De eerste lichtbron die je opstelt is de hoofdlichtbron. Die zorgt ervoor dat het onderwerp voldoende licht krijgt. Hij wordt zo opgesteld dat de vormen en structuren in het onderwerp goed worden weergegeven. Als schaduwen te donker zijn is dat niet erg, dat wordt in de volgende stap opgelost.
De tweede lichtbron wordt ingesteld op een lagere lichtopbrengst. Er blijven schaduwen in het onderwerp zichtbaar, anders ziet het er niet natuurlijk uit. De schaduwen zijn lichter gemaakt.
Een derde lichtbron is niet altijd nodig, maar geeft wel meer mogelijkheden:
c. Effectlicht. Je kunt plaatselijk lichtaccenten laten vallen, of een mooie lichtcontour maken.
d. Achtergrondlicht. Je kunt de achtergrond egaal wit maken of een mooi lichteffect geven.
Hier beperken we ons even tot twee lichtbronnen.
Gericht licht geeft scherpe schaduwen. Vaak wordt in de studio geprobeerd duidelijk zichtbare schaduwen te vermijden, maar voor creatieve toepassingen kunnen ze juist een belangrijk element zijn. Hier werd rechts een flitser zonder softbox of paraplu gebruikt, voor gericht licht met harde schaduwen. Zacht licht van links helderde de schaduwen op. Onder de doorschijnende ondergrond van de opnametafel stond een derde flitser opgesteld, die het onderwerp van rechts onder verlichtte.
Een zachte, bijna schaduwloze verlichting. De softbox, de hoofdlichtbron, staat rechts opgesteld. De schaduwen worden bijna volledig opgeven door het invullicht. Dat is een studioflitser met flitsparaplu, iets verder weg links opgesteld.
Hoeveel licht je nodig hebt is afhankelijk van de grootte van het onderwerp. Is het onderwerp groot, dan moet je verder met je lichtbron naar achteren om het helemaal uit te lichten. En hoe meer het licht wordt uitgespreid, des te sterker moet je lichtbron zijn om nog voldoende licht op het onderwerp te krijgen.
Op de tekening twee lichtbronnen van gelijke sterkte. Links is de afstand kort, wordt het licht dus minder verspreid en krijgt een onderwerp intens licht. Rechts een grotere afstand, waardoor het licht meer wordt gespreid: het onderwerp ontvangt zwakker licht.
De grootte van het onderwerp en de grootte van de lichtbron
Een softbox is een veel toegepaste lichtbron, omdat hij een goed bruikbare diffuse verlichting geeft. Hij doet in feite wat het wolkendek met het zonlicht doet: in alle richtingen verspreiden.
Hoe groter de softbox is ten opzichte van het onderwerp, des te meer wordt onderwerp van alle kanten beschenen. Ga je met de softbox echter verder van het onderwerp af, dan komt het licht meer uit één richting, en krijg je minder zachte schaduwovergangen.
Als de lichtbron groter is dan het onderwerp krijg je een diffuse verlichting. De verstrooiende werking van het licht neemt af echter naarmate de afstand tussen lichtbron en onderwerp toeneemt.
De lichtbron is relatief groot ten opzichte van het onderwerp. Door dicht op het onderwerp te verlichten, wordt het onderwerp helemaal ‘ingepakt’ door het licht.
Dit geeft diffuus licht, dus met een zeer zacht effect, haast zonder schaduw.
De lichtbron is even groot als hierboven, maar doordat hij verder van het onderwerp af is geplaatst, vallen de lichtstralen rechter op het onderwerp. Daardoor worden schaduwranden scherper en krijgt de verlichting een harder effect.
Dat deze foto met een softbox werd gemaakt is duidelijk. Goed is te zien hoe een softbox mooi zacht verlopende schaduwranden geeft. Als reflecties van lichtbronnen als storend wordt gezien is te proberen ze te vermijden, door de positie van onderwerp of lichtbron te wijzigen. Hier werd de reflectie van de softbox echter bewust als extra beeldelement toegepast.