|
Pagina 4 van 8
Opstelling en instellingen
Welke opnameapparatuur
Flitsinstallatie ontsteken
Camera-instelling
De juiste flitsinstelling
1. Opstelling van de hoofdlichtbron
2. Belichting bepalen
3. Plaatsing van het invullicht
4. De eerste opname
De achtergrond
Welke opnameapparatuur?
Studio-opnamen maken gaat vaak het makkelijkst vanaf een statief. Dan kun je rustig aan je beeld werken, en als er een serie foto’s moet worden gemaakt, weet je zeker dat de camera dezelfde positie behoudt. Gebruik altijd een solide statief, met een goede, makkelijk verstelbare kop. Voor studiowerk is een zogenaamde 3D-kop het handigst. Daarmee kunnen alle verstelrichtingen onafhankelijk van elkaar worden gebruikt: voorover/achterover neigen, links/rechts neigen, linksom/rechtsom draaien.
Bij werken vanaf statief is het het makkelijkst om met de hand scherp te stellen. En dat gaat weer het makkelijkst bij een spiegelreflexcamera. Bij de spiegelreflex kun je bovendien de scherptediepte optimaal regelen, en dat is bij studiofoto’s vaak zeer belangrijk.
Conclusie: de spiegelreflex heeft de voorkeur, omdat je de beste regel- en controlemogelijkheden hebt.

De diepte van de studioruimte is belangrijk om het onderwerp groot genoeg in beeld te kunnen brengen: je moet ver genoeg naar achteren kunnen. Ook is het belangrijk dat er voldoende afstand tussen onderwerp en achtergrond kan worden gehouden. De breedte van de ruimte is belangrijk om ook een positie schuin ten opzichte van de achtergrond te kunnen innemen. Tot slot: een hoge ruimte geeft optimale mogelijkheden lichtbronnen hoog (eventueel zelfs boven het onderwerp) te plaatsen.
Flitsinstallatie ontsteken
Studioflitsers hebben een slave-cel, die reageert op flitslicht. Wordt er ergens een flitser ontstoken, dan flitsen de studioflitsers automatisch mee.
Dat betekent dat de ingebouwde flitser van de camera in principe kan worden gebruikt om de studioflitsers te ontsteken. Toch is dat beslist géén goed idee! De camera kan alleen het flitslicht regelen van de ingebouwde flitser, niet van de studioflitsers. En het licht van de ingebouwde flitser gaat ook meedoen als een extra lichtbron, die de zorgvuldig opgebouwde verlichtingsopstelling op een onvoorspelbare manier zal beïnvloeden. En bij studio- en portretfotografie gaat het om beheersing van het licht. Niet gebruiken dus, die ingebouwde flitser.
Ontsteken van een studioflitsset gaat het makkelijkst met een radiografische flitsontsteker (radio slave). Het zendertje daarvan komt op de flitsschoen van de camera. De ontvanger wordt aan de flitser gekoppeld. Zie [link] voor details.
Op sommige camera’s (uitzonderingen) werkt de radio slave niet. Dan kan een infrarood flitsontsteker worden gebruikt, die ook voor draadloos ontsteken zorgt.
De flitsset kan ook worden ontstoken met behulp van de bijgeleverde flitskabel, waarop eventueel nog een verlengkabel [link] kan worden aangesloten (accessoire). Een klein aantal camera’s heeft een speciale flitskabelaansluiting: hierop kan de kabel rechtstreeks worden aangesloten. Bij camera’s met een flitsschoen moet een universeel adaptertje [link] worden gebruikt dat in de flitsschoen wordt geschoven en een flitskabelaansluiting heeft. Voor Sony/Konica Minolta reflexcamera’s is een speciaal adaptertje nodig [link].
Vaak wordt er gekozen voor draadloos ontsteken, om struikelen over flitskabels te voorkomen en om het verplaatsen van de verlichtingsstatieven zo makkelijk mogelijk te maken. Zeker als de camera uit de hand wordt gebruikt, denk aan foto’s van modellen, zijn kabels erg onhandig.

De reflexcamera’s van Sony/Minolta hebben een eigen, niet universele flitsschoen. Via deze flitsadapter kunnen er accessoires met een universele middencontact flitsschoen op worden gebruikt, zoals de radiografische flitsontsteker. De adapter heeft ook een flitskabel-aansluiting.
|

De radiografische flitsontsteker bestaat uit twee delen. De zender (rechtsonder) wordt op het middencontact-flitsschoentje van de camera geplaatst. De ontvanger komt tussen het netsnoer en de voedingsaansluiting van de studioflitser, en wordt tevens aangesloten op het ontsteekcontact van de studioflitsset. |
Camera-instelling
De camera moet een M-stand hebben: diafragma en sluitertijd moeten allebei handmatig kunnen worden ingesteld.
Sluitertijd: kijk in de gebruiksaanwijzing welke sluitertijd maximaal voor flitsen mag worden gebruikt. Vaak is dat 1/125 of 1/200 seconde. Stel geen kortere sluitertijd in. Een langere mag wel. Weet u niet wat de kortste sluitertijd is waartoe uw camera is gesynchroniseerd, stel dan maar 1/60 seconde in, dan is het zeker goed.
Diafragma: met het diafragma regelt u hoeveel licht de lens doorlaat. U bepaalt er ook de scherptediepte mee: of iets maar op één punt scherp is, of dat de scherpte ook naar voren en naar achteren doorloopt.
Laag diafragmagetal: bij een laag diafragmagetal staat de lens wijd open. Gebruik een laag diafragmagetal als er veel flitslicht nodig is om het onderwerp uit te lichten. Er is dan wel weinig scherptediepte.
Hoog diafragmagetal: bij een hoog diafragmagetal is de opening van de lens klein. Gebruik een hoog diafragmagetal als u veel scherptediepte wilt hebben. Een hoog diafragmagetal vraagt om veel flitslicht.

Oog, neus en mond zijn scherp, de rest blijft onscherp. Dat wordt bereikt door een groot diafragma (Laag f-getal) in te stellen. Omdat het diafragma dan ver open staat, kan het nodig zijn de flitsers op een lager vermogen in te stellen.
Hoofdlichtbron was hier een grote softbox rechts, een tweede softbox, op wat grotere afstand, gaf invullicht. Door de zwarte achtergrond ontstaat een zeer krachtig en eenvoudig beeld.
De juiste flitsinstelling
Voor de juiste flitsinstelling volgen we de volgende stappen:
1. Begin met het opstellen van de hoofdlichtbron.
2. Bepaal de belichting (het diafragma en het flitsvermogen).
3. Stel het invullicht op en regel de juiste sterkte ervan.
4. Controleer de belichting en stel hem zonodig bij.
5. Maak de opname.
1. Opstellen van de hoofdlichtbron
Met het hoofdlicht bepalen we hoe het licht het onderwerp doet uitkomen. Verlichten we van opzij, dan krijgen we veel schaduw te zien. Verlichten we van vlakbij de camera, dan zien we minder schaduw, maar moeten we oppassen dat het onderwerp er niet te vlak uit komt te zien. Een opstelling daartussenin is vaak een goed uitgangspunt, dus schuin van voren.
Als we beschikken over 1 softbox en 1 flitsparaplu, dan kiezen we de softbox als hoofdlichtbron. Voor een diffuse verlichting gebruiken we die relatief dichtbij het onderwerp, voor wat meer schaduwwerking maken we de afstand groter.

Zeker bij toepassing van een donkere achtergrond kan één lichtbron al voldoende zijn. De fotograaf gebruikte een softbox, maar plaatste die vrij ver van het model af, waardoor het licht niet al te diffuus werd.
2. Belichting bepalen
Bepaal nu het diafragma. Is het een klein onderwerp, dat van dichtbij wordt gefotografeerd, dan is er voor de scherptediepte een klein diafragma (hoog diafragmagetal) nodig, bijvoorbeeld f/11, f/16 of f/22. Bij een groot onderwerp is er meer licht nodig en is er voor de scherptediepte doorgaans geen klein diafragma (hoge waarde) nodig.
Maak een foto en kijk of hij goed is belicht. Let er vooral op dat de lichte partijen niet te licht zijn. De schaduwen komen straks in orde, met het invullicht.

Een grote softbox net buiten beeld links is de hoofdlichtbron. Een tweede softbox rechts, iets verder weg, zorgde voor invulling van de schaduwen. De achtergrond wordt met fel licht extra helder gehouden.
Met een technisch juiste belichtingsinstelling zou de huid donkerder moeten worden weergegeven, maar voor versterking van het tere effect werd de foto overbelicht.
De scherpte werd verzacht door een softfocusfilter op het objectief te plaatsen.
Foto te licht
Is de foto te licht, dan heb je de volgende keuzes:
- stel een lager flitsvermogen in. Dit is de simpelste oplossing, je diafragma kan gewoon blijven staan zoals het stond.
- stel een lagere ISO-waarde in. Het kan zijn dat de camera nog op een hoge ISO-waarde was ingesteld.
- kies een kleiner diafragma (hoger getal). Dit leidt wel tot meer scherptediepte.
Foto te donker
Is de foto te donker, dan heb je de volgende keuzes:
- stel een hoger flitsvermogen in. Dit is de simpelste oplossing, je diafragma kan gewoon blijven staan zoals het stond. Als de flitser al op vol vermogen stond kan dit natuurlijk niet meer.
- stel een hogere ISO-waarde in. Moderne digitale reflexen leveren ook bij hogere ISO-waarden vaak nog zeer goede beelden.
- kies een groter diafragma (lager getal). Dit leidt wel tot minder scherptediepte.

Goed belicht of te donker? Hier werd een donkere setting gebruikt. De belichting is goed, want het gezicht zou niet donkerder of lichter moeten zijn.
Lichtbron: studioflitser met softbox. De softbox stond niet te dichtbij, waardoor het licht niet te zacht werd en er scherpe schaduwaftekeningen ontstonden.
Bij deze foto bleef het bij één lichtbron.
Zou er links een tweede lichtbron zijn gebruikt, zodanig dat hij minder licht op het onderwerp doet schijnen dan de hoofdlichtbron, dan zou de schaduwkant van het gezicht worden opgelicht. Het zou een wat gewoner portret hebben opgeleverd.
3. Plaatsing van het invullicht
Plaats het invullicht aan de kant waar de schaduwen vallen. Plaats de invulflitser op dezelfde afstand als de hoofdflitser en stel de invulflitser op half vermogen. Zie hoe de schaduwen lichter worden. Experimenteer met de flitssterkte van de invulflitser en de hoek ten opzichte van de camera en het onderwerp. Kijk vervolgens ook hoe de verlichting verandert als u het invullicht verder van het onderwerp af plaatst; stel dan zonodig weer een hogere flitssterkte in.
4. De eerste opname
Maak de eerste foto en kijk of de schaduwen voldoende zijn opgehelderd. Beoordeel alle lichteffecten, kijk of er geen storende reflecties of schaduweffecten zijn.
Controleer de resultaten zonodig op de computermonitor.
De achtergrond
Ziet u de schaduw van het onderwerp op de achtergrond, dan is de eenvoudigste oplossing: vergroot de afstand tussen onderwerp en achtergrond. Kan dat niet, dan is een derde lichtbron nodig om de schaduw in de achtergrond op te helderen.
Een speciale achtergrondinstallatie of een achtergronddoek maakt het werken in een studio eenvoudiger én professioneler tegelijkertijd.
|